Autotocht:   Route des Panoramas
 
  • 2 lussen, een Westelijke en een Oostelijke, die elk zo’n 25 km tellen,  met vertrekpunt in Trois-Ponts (op 16 km van Relais des Fagnes)

  • kleine, rustige baantjes over de hoogten rond Trois-Ponts en Stavelot, met heel mooie uitzichten (op een heldere dag)

  • niet geschikt voor mensen met wagenziekte

  • restauratie mogelijk in Trois-Ponts en in “Val de Wanne” (Westelijke lus)

Rijd naar het centrum van Trois-Ponts, tot bij het Office du Tourisme (net vóór de parking van de Carrefour). Op de voorgevel hangt een groot bord met een ezelskop erop en twee pijlen (waarvan er één naar beneden wijst?...). Dit is het officiële vertrekpunt van de route. We beginnen met de Oostelijke lus: met het bureau voor toerisme aan je rechterkant rijd je gewoon rechtdoor. Vanaf hier is de route aangegeven met de zeshoekige bordjes met een ezelskop erop (zie boven).

Trois-Ponts heeft zijn ontwikkeling te danken aan de aanleg van de spoorweg in 1867. Een eerste spoorlijn kwam uit Spa, via Francorchamps. In het Westen was de aanleg van de spoorlijn, die vanaf Remouchamps de vallei van de Amblève moest volgen, een titanenwerk dat pas in 1885 zou eindigen. De talrijke tunnels en viaducten getuigen hiervan.

 

De route slingert eerst door de vallei van Bodeux en klimt dan naar Mont St.-Jacques. Als je het dorp uit bent, let je op de wegwijzer “St. Jacques”, naar links. Hier begin je al te klimmen en wat verderop kan je een eerste stop maken bij het uitkijkpaviljoentje van Gaston Starck, links van de baan.

 

Deze Gaston Starck, ooit voorzitter van de toeristische dienst, was degene die in 1951 op het idee kwam om ezelritjes te organiseren door de streek. Deze ezelritjes groeiden uit tot jaarlijkse “ezel-happenings” en zo werd de ezel de mascotte van de streek, en dus ook van de panoramaroute.

Je passeert Bergeval, gaat schuin rechts verder omhoog om zo in Mont-St. Jacques uit te komen. Dit is een dorpje gelegen op 430 m hoogte en is voor vele bedevaarders op weg naar Santiago de Compostela de vertrekplaats. In Fosse ga je opnieuw naar rechts en wat verderop rijd je de agglommeratie Lierneux binnen. Je passeert het gehuchtje Reharmont en gaat verderop rechtsaf, richting Basse Bodeux.

De weg komt uit op de N651 en hier ga je heel even naar rechts, maar je moet al bijna meteen linksaf: volg de pijl “Haute Bodeux”. Tussen de dorpen Fosse en Haute Bodeux krijg je een open landschap. De weilanden zijn hier doorsneden door talrijke heggen, ideaal voor het instandhouden van de biodiversiteit en de schoonheid van het landschap. Als men langs deze heggen van meidoorn en eglantier rijdt, ziet men de vruchten in de zon schitteren. De distelvinken, groenvinken en goudvinken zijn er gek op. Deze natuurlijke gangen leiden naar een hooggelegen vlakte. Bij het T-kruispunt op het hoogplateau ga je rechtsaf en in Haute Bodeux wijst het ezeltje je naar rechts, nog eens naar rechts en dan naar links.

En dan weer even opletten: wat verderop gaan “toutes directions” naar links, maar de panoramaroute kiest het weggetje rechts. Zo kom je in Basse Bodeux uit, waar steen en leisteen elkaar ontmoeten. Het is een dorp met een opmerkelijk mooi centrum!

Je komt terug op de grote baan (linksaf), maar slechts even verderop mag je er alweer af: een klein weggetje naar rechts in. Nu nog een laatste klim om in de streek van de meren uit te komen. Bij het T-kruispunt ga je rechtsaf, richting “bassins supérieurs”. Vanuit Brume is de vroegere meander van de Amblève bij Coo nog goed te zien.

In de 18de eeuw werd door de monniken van Stavelot de rivier rechtgetrokken  en de bocht afgesneden. Zij legden de waterval aan en zetten er meteen een watermolen onder. Zo bleef het gehucht Petit-Coo gespaard van verdere overstromingen van de meander. In de 20ste eeuw werd de bocht afgesloten met twee stuwdammen en zo ontstond een stuwmeer, dat de hydro-elektrische centrale van Coo bedient. De centrale is gebouwd in 1971 en werkt met een systeem van turbines en pompen. Op een hoogte van 500 m verzamelen de twee bovenmeren een belangrijke hoeveelheid water die ’s nachts wordt opgepompt. In geval van een sterke vraag naar elektriciteit worden de twee meren geleegd en wordt het water naar het lagergelegen bassin gestuwd. Turbines drijven dan generatoren aan, die extra elektriciteit opwekken. Zo is de centrale van Coo eigenlijk een gigantische “batterij”, die voor reserve-elektriciteit kan zorgen wanneer nodig.

Bij de driesprong met de elektriciteitsmasten kies je rechts, richting “Brume” en je hebt weer de kans om even uit te stappen bij een “belvédère” of uitkijkpunt. Vanaf hier loopt de route steil bergaf, opnieuw op weg naar Trois-Ponts, waar een bord het “einde van de Westelijke lus” aangeeft.

Om de tweede lus te maken, rijd je de straat in die ongeveer tegenover het bureau voor toerisme ligt, richting “Vielsalm” (dus niet de straat van de frituur). Je rijdt zo’n 8 km rechtdoor, langs de Salm, vroeger de Glain genoemd. Let op het rotsmassief naast de baan, bestaande uit het voor de streek zeer kenmerkende fylliet en kwartsiet. Doordat het in dunne lagen kon worden gespleten, werd fylliet lange tijd als bouwmateriaal gebruikt.

Bij de brug die naar het gehucht Rocherinval leidt, vind je de wegwijzer “Wanne”, linksaf en omhoog. Talrijke Ardense huizen die je onderweg ziet, hebben nog daken in leisteen (“hèrbins” genoemd), zoals in Spineux, aan de voet van de helling van Wanne.

Bij het oorlogsmonument (let op het kapotgeschoten raam), volg je de baan naar rechts en verder omhoog. Bovenaan heeft men zich op een typisch Ardens landschap met beboste hoogtes en tegen de heuvels aanliggende dorpjes. Zo halfweg de heuvelwand zijn de huisjes het best beschermd, zowel tegen de wind van bovenaf als tegen de vochtigheid van in het dal.

Net voor je in het dorpje Wanne aankomt, ga je rechtsaf. (Mogelijk staat hier geen ezelsbordje, maar volg dan even “Les sommets de la Lienne et de l’Amblève”). Je rijdt nu richting Logbiermé, door een prachtig bos, uitzonderlijk ontsnapt aan de massale ontbossing in de 17de en 18de eeuw. (Ontbossing om economische redenen: eikenbast voor de leerlooierijen en Malmédy en Stavelot en houtskool was bestemd voor het Luikse industriebekken.)

Even voor Logbiermé merk je een wegwijzer op: “Faix du diable”. Ga hier even kijken naar deze opmerkelijke berg kwartsiet, onderwerp van talloze streeklegendes.

Zo zou dit rotsblok dateren uit de tijd van St. Remaclus, patroonheilige van Stavelot. Hij ontginde met zijn monniken het woud en ze waren ook net begonnen met de bouw van de abdij. De duivel was met deze bouwwerken allerminst ingenomen en had het plan opgevat om er een reusachtig rotsblok op te gooien en zo het gebouw te vernietigen nog voor het voltooid was. St. Remaclus kreeg lucht van zijn plannen en gebruikte een list. Hij hulde zich in lompen en verzamelde een rugzak vol oude kapotte sandalen. Zo ging hij de duivel met zijn zware rotsblok tegemoet. Deze was al echt vermoeid van het sleuren met de rots en toen hij de oude man opmerkte, zuchtte hij: “Is het nog ver naar Stavelot?” “Oh, beste man,” antwoordde St. Remaclus. “Kijk eens hoeveel paar sandalen ik heb versleten vanaf Stavelot tot hier!” Ontgoocheld liet de duivel zijn rotsblok vallen en verloor daarbij ook zijn ring. Deze ligt er nog altijd... onder de kwartsietrots.

 

Wat verderop is er ook een barbecueplek voorzien, waar je dit verhaal even in alle rust kan overpeinzen...

Het baantje gaat nu bergaf tot je het riviertje Wanne oversteekt, dan linksaf en terug omhoog. In Hénumont kies je bij de splitsing links en ook links bij de volgende viersprong. Vervolgens terug rechts bij de driesprong en nog eens twee keer over de Wanne. Bij de driesprong rijd je verder rechtdoor en door Wanneranval. De weg slingert zich in lussen naar Wanne toe, een karakteristiek dorp, gedomineerd door de imposante St.-Madeleinekerk met een 12de-eeuwse toren. Het kasteel ernaast (nu een vakantiehuis) dateert uit de middeleeuwen, maar het werd herbouwd in de 18de eeuw.

 

Sla rechtsaf bij het rond punt en zo zet je de afdaling naar Aisomont in, langs de skibaan van Wanne. Deze werd uitgebouwd tot “Val de Wanne”, een recreatiezone voor alle seizoenen, met oa. een fantastisch houten layrinth en een brasserie met panoramisch terras.

 

En zo rijd je verder naar beneden, met nog even een stop bij de “Tour Leroux”. (Let op de wegwijzer rechts van de baan: rijd de bosweg aan de linkerkant in, zet je wagen verderop op de parking en wandel 1 km tot bij de toren en 1 km terug.)

Dan verder bergaf en terug naar Trois-Ponts. Voorbij het station vind je het bord dat het “einde van de Oostelijke lus” aanduidt.